Taxi


Het zal ergens rond de wintermaanden in 1980 zijn geweest als ik taxichauffeur ben en vanaf het Rembrandtplein van de centrale een ritje krijg voor de bloedbank.
Hiervoor moet ik diverse ziekenhuizen langs om bij het ene een pakje op te halen en dit vervolgens naar het andere te brengen.
Zo is mijn eerste adres het Binnengasthuis op de Grimburgwal. Het regent dat het giet en het is guur zodat ik zoveel mogelijk in de auto blijf. Echter bij het Binnengasthuis moet ik toch even naar de portier om mij te melden. Als ik daar binnenkom dan staat daar een oud mannetje van in de tachtig en vraagt mij of ik de chauffeur ben die hem naar huis brengt, ik antwoord hem dat niet het geval is omdat ik al met een rit bezig ben. Hij klaagt steen en been en verteld mij dat hij al ruim een uur staat te wachten. Ik neem contact op met de centrale en vraag of ik een combinatie kan maken want die meneer moet naar de verbindingstraat en dat ligt wel op de route. De centrale is mij dankbaar omdat het zo verschrikkelijk druk is, dus neem ik de gegevens op en vertel de oude man dat hij wel met mij mee mag maar dat ik eerst nog even langs het Emma kinderziekenhuis moet om het pakje dat ik zojuist van de portier kreeg af te geven. Hij maakt geen bezwaar en laat zich uitgeblust op de passagiersstoel ploffen.
Als ik richting Emma kinderziekenhuis rijd begint hij een gesprek. “Goh jongen, ik dacht dat ze me vergeten waren” ik kijk hem aan en begin uit te leggen waarom hij zo lang moest wachten. Als ik later een blik op hem werp zie ik in de hoek van zijn oog iets glinsteren dat lijkt op een traan. “Gaat alles goed opa”? vraag ik hem. Hij kijkt naar mij en zegt, “Jongen, ik denk dat het wel zo’n 10 jaar geleden is dat ik voor het laatst aan deze kant van de stad ben geweest. Ik ben aan huis gekluisterd en rijd 2 keer per week van huis naar het ziekenhuis en weer terug. Dat is het enige dat ik nog heb”.
Ik stop bij het Emma kinderziekenhuis en geef het pakje af. Daar krijg ik een nieuw pakje mee dat naar het Slotervaart ziekenhuis moet en vraag aan opa of hij het gezellig vindt om ook deze rit nog effe mee te rijden. “nou als je het niet vervelend vindt en je er geen last mee krijgt dan graag” antwoord hij en gaat er eens gemakkelijk bij zitten.
Ik besluit een omweg te maken en rijd met hem langs het scheepvaartmuseum, richting Rembrandtplein, daarna ga ik kris kras door de stad kom over de wallen, ga achter het Centraal Station om en kom zo langzamerhand weer op route. Tijdens de rit verteld hij mij zijn levensverhaal, dat nou niet het meest vreugdevolle is dat ik ooit heb gehoord. Ik voel met hem mee en mede door zijn platte Amsterdamse accent is er toch al snel een band tussen ons. Als ik vanuit het Slotervaart ziekenhuis richting Amsterdam zuid ga komen we in de buurt van zijn huis.
Hij begint te graaien in zijn zakken en verbergt iets in zijn rimpelige knuist. “zo, we zijn er opa” en loop even om zodat ik hem uit de auto kan helpen.
Hij kijkt op naar mij en zegt met een lichte trilling in zijn stem, “jongen, ik heb in tijden niet zo’n leuke dag gehad”, hij steekt zijn hand naar mij uit druk mij een dubbeltje in mijn handen, en zegt, “ik heb niet veel jongen maar ik ben zo blij dat je mij hebt meegenomen dat je wel een fooitje verdient” ik heb het dubbeltje nog steeds en ben er van overtuigt dat het geluk brengt